Over de AOE’s (deel 3)

Intertextuality

Het derde AOE dat in de IB guide wordt gepresenteerd is Intertextuality. Bij de twee Language A-workshops die ik bijwoonde wisten de aanwezige docenten er niet meteen raad mee. Want hoe zouden leerlingen die nog nauwelijks ervaringen hebben met het lezen van literaire teksten op zoek kunnen gaan naar relaties tussen teksten?

In de literatuurwetenschap geldt intertekstualiteit als een moeilijk gebied met complexe theorieën van o.a. Julia Kristeva, Jacques Derrida en Harold Bloom. In die theorieën wordt het proces van betekenistoekenning ter discussie gesteld. OK, niet oninteressant, maar… wat kan een leerling ermee? En hoe ga je hiermee om als docent? Dien je de bespreking van een literair werk te reduceren tot een gepuzzel met citaten en allusies? Dat kan toch niet de bedoeling zijn…

De IB guide opent de uitleg over dit AOE met een citaat van Julia Kristeva: “Any text is constructed as a mosaic of quotations: any text is the absorption and transformation of another.” De verwijzing naar Kristeva en de woorden ‘mosaic of quotations’ zijn een beetje misleidend, want vervolgens maakt de gids duidelijk dat het begrip intertekstualiteit breed moet worden gezien als “intertextual concerns or the connections between and among diverse literary texts, traditions, creators and ideas”. Heel breed dus!

Het idee van de AOE’s lijkt me dat er drie dimensies zijn om naar een tekst te kijken: de relatie tekst-schrijver-lezer (RWT), de relatie tekst-wereld (TS) en als derde de relatie die de tekst onderhoudt met eerdere teksten, ideeën, kunstopvattingen enz. Een tekst komt uiteraard niet uit de lucht vallen, elke tekst staat in een traditie. Ik denk dat het bij dit AOE dáárom gaat: het onderzoek naar de traditie en dat in de breedst mogelijke zin.

Een blik op de praktijk… In mijn lesprogramma heb ik het AOE Intertextuality gekoppeld aan Het hoofdkussenboek van Sei Shonagon, een duizend jaar oude Japanse tekst die een curieuze mengelmoes biedt van dagboekaantekeningen, essays en lijstjes. Natuurlijk had ik er ook voor kunnen kiezen om deze tekst binnen het AOE Time and space te lezen – Het hoofdkussenboek geeft een boeiend beeld van een in alle opzichten verre cultuur. Maar toen ik het boek had gelezen, hielden vooral andere vragen mij bezig: Wat is dit, tot welk genre moet je deze tekst rekenen? Hoe kwam iemand duizend jaar geleden op het idee om dit te schrijven, op deze manier? Waarom lezen we Het hoofdkussenboek nu nog? Wat is er in al die eeuwen met de tekst gebeurd? Hoe werd erop gereageerd, en door wie en waarom? Waarom bestaat er een moderne manga van en zelfs een videogame?

Bij Het hoofdkussenboek was ik vooral nieuwsgierig naar de traditie van de tekst. Vandaar dat ik als focus het AOE Intertextuality koos. Ik vind zo’n focus een prettig beginpunt. En als ik dit uitwerk in een lespakket komen de andere AOE’s vanzelf om de hoek kijken: de leerling reflecteert op zichzelf als lezer en vraagt zich af welke rol tijd en cultuur spelen bij het toekennen van betekenis. Zoals misschien al te verwachten viel, staan de drie AOE’s niet los van elkaar maar vullen ze elkaar juist aan.

Tot besluit een tip. Jörgen Apperloo heeft met Vlogboek een fraai drieluik gemaakt: ‘Vormen van intertekstualiteit’. Totaal zo’n 25 minuten video, waarin wordt nagegaan wat intertekstualiteit nu eigenlijk is en hoe je met intertekstualiteit (in de brede betekenis) om kunt gaan. Een aanrader! Te vinden op: www.vlogboek.nl.

Pieter van der Vorm

Plaats een reactie