Over de structuur van het IO

Het mondeling examen (Individual Oral) in het Language A-programma wijkt flink af van de IOC en IOP uit het oude curriculum. De Language A guide licht uiteraard de procedure en de beoordelingscriteria toe, maar de praktische invulling heeft me al heel wat denkwerk gekost. Een essentiële vraag betreft de structuur. Hoe kan de leerling zijn/haar IO het best opbouwen?

Planning en structuur zijn voor elk examenonderdeel essentieel. En dit geldt zéker voor het IO. De leerling wordt immers beoordeeld op Focus and organization (Criterium C), en het is geen sinecure om er één geheel van te maken. De leerling moet namelijk heel wat aan de orde stellen: één global issue, twee fragmenten uit twee literaire werken, waarin authorial choices een rol spelen. En dat in een presentatie van 10 minuten, gevolgd door 5 minuten discussie. (Bij SSST valt de discussie weg en duurt de presentatie 15 minuten.) Oftewel: de leerling zal goed moeten plannen om de fragmenten, de teksten en de keuzes van de auteurs in een kort tijdsbestek te bespreken en te linken aan het global issue.

Ik denk dat het overzichtelijk is om te denken vanuit een structuur in vier delen:

  1. Inleiding
  2. Fragment/tekst 1
  3. Fragment/tekst 2
  4. Afsluiting

In het eerste deel, de inleiding, wordt het global issue geïntroduceerd. Dit blijkt in de praktijk niet gemakkelijk. Ik merk dat veel leerlingen hier onvoldoende tijd voor nemen: ze smijten het global issue in een hoek, struikelen over titels en auteurs, vertellen in drie zinnen over de boeken en dreunen tot slot in sneltreinvaart de structuur van hun IO op… Als luisteraar hap je naar adem. Nee, dat moet dus anders. Het is prettig als de leerling de rust neemt het global issue toe te lichten. Wat verstaat hij eronder? Wat fascineert hem aan dit global issue? Een dergelijke reflectie is prettig voor de luisteraar. Bovendien sluit het goed aan bij het portfolio-idee dat de Language A-cursus stuurt.

In het middenstuk, deel 2 en 3, dient de leerlingen de fragmenten en teksten aan het global issue te linken én tegelijk kennis en inzicht in de literaire werken te demonstreren. Dit is evenmin gemakkelijk, omdat deze twee taken elkaar in de weg kunnen zitten: als de leerling te nadrukkelijk aan het global issue linkt, ligt het gevaar van een eenzijdige of oppervlakkige interpretatie op de loer. Aan de andere kant: wanneer de leerling zich concentreert op de literaire analyse, kan hij wegdrijven van de focus (het global issue). Het is de kunst hierin een middenweg te vinden. Ik houd leerlingen voor dat ze in het middendeel ‘punten’ moeten scoren: relevante opmerkingen of verrassende inzichten bieden. Opmerkingen op het niveau van de inhoud leveren minder punten op dan verhaaltechnische opmerkingen. Dit impliceert dat de leerling aandacht zal moeten besteden aan de wijze waarop de literaire middelen de thematiek ondersteunen.

De afsluiting is meer dan een samenvatting of conclusie; de leerling zal meer moeten bieden dan de constatering ‘het global issue is dus belangrijk voor de twee teksten’. Aan het slot van het IO zal alles samen moeten komen. De punten uit het middenstuk, en met name de authorial choices, dienen nog eens nadrukkelijk te worden verbonden met het global issue, waarbij de leerling antwoord geeft op de prompt: Examine the ways in which the global issue of your choice is presented through the content and form of two of the works that you have studied. De prompt nodigt uit om ook hier een stukje reflectie in te bouwen.

De hier gepresenteerde opbouw in vier delen is uiteraard niet de enige mogelijke structuur. Maar dit model met een buitenste schil van global issue + reflectie en een kern van thematiek + analyse biedt wél een prettige basis, een vertrekpunt van waaruit je kunt schaven en vijlen.

Pieter van der Vorm

Plaats een reactie