Over het BOW

Het body of work (BOW) is een essentieel onderdeel in het programma Language and literature. Eén van de twee teksten die in het Individual Oral worden besproken dient een niet-literaire tekst te zijn uit een breder body of work. In de blog van vandaag zal ik enkele aspecten van het BOW bespreken.

Wie de Language A: language and literature guide doorneemt, ziet het BOW gemakkelijk over het hoofd. Pas bij de bespreking van het Individual Oral duikt het op en staat er: “If the extract is a complete non-literary text, students should discuss relevant aspects of the broader body of work of the author of the text. In the case of a photograph, for example, the broader discussion should refer to other photographs by the same photographer. If identifying the single author of a non-literary text is not possible, students should use an ampler definition of authorship to broaden their discussion of the global issue. In the case of an advertisement, for example, students could refer to the other advertisements or commercials belonging to the same campaign, to other campaigns of the same brand or to other work produced by the advertising agency. In the case of an article, students could refer either to other articles by the same author or to the general editorial line of the medium in which the article was published. In cases such as the latter two, students should make explicit what constitutes their definition of authorship.”

Een lang citaat – ik neem het in zijn geheel op want in de Language and Literature guide is niet veel meer over het BOW te vinden. Het is opmerkelijk dat de IB-gids het body of work onder Selection of non-literary texts (p.21) en Principles of course design (p. 28) geheel niet noemt, laat staan toelicht. Bovenstaand citaat bevat geen definitie maar uitsluitend voorbeelden die er niet in slagen om het BOW scherp af te bakenen. De internal assessment criteria bieden evenmin duidelijkheid: in de rubrics wordt het BOW niet expliciet vermeld en wordt niet duidelijk gemaakt hoe de bespreking van het BOW tot uitdrukking wordt gebracht in de score voor het IO.

Laten we op een rijtje zetten wat wél duidelijk is:

  1. Het BOW wordt getoetst bij het IO, als de leerling een tekst of fragment uit het BOW én een fragment uit een literair werk bespreekt.
  2. Het BOW bestaat uit teksten van één auteur. Het is jammer dat die beperking wordt opgelegd. Wanneer je bijv. een interessante column hebt die tot een discussie en/of reacties van lezers heeft geleid, geldt die column met reacties dus niet als BOW. Om twee redenen overigens: er mag maar één auteur en ook maar één tekstsoort zijn.
  3. Het BOW dat de leerling voor het IO gebruikt moet bestudeerd en besproken zijn in de les. Het idee is dat alle niet-literaire teksten die de leerling in DP1 bestudeert gelinkt zijn aan overkoepelende BOW’s. (Zie het IBO-document Frequently asked questions.)

Het knaagt. Want stel dat je die prachtige column vindt en combineert met andere columns van dezelfde auteur, dan bespreken die columns hoogstwaarschijnlijk diverse onderwerpen en kunnen ze worden gerelateerd aan diverse global issues. Dat ziet het IBO niet als een probleem, want: “The links of works, or works and bodies of work, to global issues should not be predetermined by teachers when planning their courses or when selecting texts. Ideally, within one body of work there should be a multiplicity of global issues that students could explore.“ (Zie het IBO-document Frequently asked questions.) Maar in het IO dient de leerling juist te focussen op één global issue. En zo kom je in een ongemakkelijke spagaat, want hoe bespreek je in het IO dan de rest van het BOW als dit niet aansluit bij het gekozen global issue?

Door alle beperkingen die aan het BOW worden opgelegd, verloopt de voorbereiding op het Individual Oral anders dan in het Literature-programma, waar de leerling kriskras verbanden kan leggen tussen de gelezen teksten. Bij de combinatie literaire tekst + BOW lukt dat veel minder goed en zal de docent sneller geneigd zijn om de BOW’s expliciet te linken aan de literaire werken die worden gelezen. Dit laatste is overigens niet de bedoeling: het IBO pleit ervoor dat leerlingen vrij verbanden kunnen leggen: “Enough bodies of work have to be studied before the individual orals are recorded in order for students to have a broad choice from which to select when deciding on the work, the body of work and the global issue they are going to focus on for the individual oral.“ (Zie het IBO-document Frequently asked questions.)

Docenten zullen het gevoel hebben dat ze moeten schipperen. En hoe belangrijk is dat BOW nu eigenlijk? Dat valt misschien best mee… Bij het IO krijgt de leerling tien minuten voor de bespreking van het global issue in relatie tot 1) het literaire fragment, 2) het gehele literaire werk, 3) het niet-literaire fragment en 4) het BOW. Merk hierbij op dat de opmerkingen die de leerling over het BOW maakt voor de examinator moeilijk te plaatsen zullen zijn: het niet-literaire fragment wordt meegestuurd maar de examinator heeft geen inzicht in het BOW als geheel. Als de leerling ervoor kiest om de bespreking van het BOW beperkt te houden en de uitgespaarde tijd te investeren in nauwkeurige close reading van het niet-literaire fragment is dat een pragmatische en wellicht geen onverstandige keuze.

Pieter van der Vorm

Plaats een reactie