Over het May 2021 subject report (deel 2)

In het May 2021 subject report for Dutch A: Literature dat vorige week verscheen, laten de examinatoren onder andere zien hoe het Individual Oral volgens de rubric scores werd beoordeeld. Waar moet de leerling bij de vier criteria op letten?

Bij criterium A (Kennis, begrip en interpretatie) is het kernzinnetje uit het subject report (SR): “Het bevatten van de diepere betekenis van het fragment/het werk voor het g.i. is iets wat alleen de sterkste kandidaten laten zien.” Hier kunnen twee dingen worden opgemerkt: 1. De examinatoren geven ook elders in het SR nadrukkelijk aan dat het global issue met de fragmenten én met de werken als geheel moet worden verbonden. 2. Er wordt gesproken over een diepere betekenis; de examinatoren zoeken de nuance. Met andere woorden (of zo lees ik het): om hoog te scoren voor dit eerste criterium, is het niet voldoende om aan te tonen dat global issue X voorkomt in de twee werken maar moet de leerling vooral laten zien hoe het voorkomt. Uit ervaring weet ik dat leerlingen de neiging hebben om een global issue als vanzelfsprekend te zien (‘ik weet wat discriminatie is en ik vind het heel erg’) en vaak niet relateren aan een onderzoeksvraag. Voor die diepere betekenis lijkt het me van belang om leerlingen in de voorbereidingsfase (bijv. in Mock-IO’s met andere teksten en GI’s) er nadrukkelijk op te wijzen dat een sterk IO ook een component onderzoek (!) dient te bevatten.

Criterium B (Analyse en evaluatie) beschouwen veel leerlingen als het lastigste. Het gaat dan om authorial choices. Het SR maakt duidelijk dat de keuzes van de auteur gekoppeld moeten worden aan het fragment, de tekst en het global issue. De kernzinnen uit het SR: “Over het algemeen is het aandeel van taal voor het g.i. onderbelicht in de analyse en evaluatie, terwijl de nauwkeurige weging van woorden en beelden juist het verschil duidelijk kan maken in de perceptie van het g.i.. Hiervoor is meer aandacht nodig.” Ik kan me hier wat bij voorstellen. Het GI werkt een focus op setting, personages en conflicten in de hand. Maar het betreft een programma ‘Literature’ en voor een hoge score dienen ook de talige keuzes van de auteur (bijv. stijlmiddelen, register) te worden besproken.

Voor criterium C (Focus en organisatie) bevat het SR twee opmerkingen die bijzondere aandacht verdienen. Allereerst dit: “Balans echter tussen de fragmenten en g.i. enerzijds, en de werken als geheel in relatie tot het global issue anderzijds, was veel minder vaak aanwezig.” De examinatoren benadrukken nog eens (in overeenstemming met de IB guide) dat niet alleen de fragmenten maar ook de gehele teksten aan het GI moeten worden gerelateerd. Een tweede opmerking die ik highlight: “Ook al is vergelijking niet de opdracht, een bruggetje van het ene werk via het g.i .naar het andere is een effectieve methode.” Dat vergelijking niet verplicht is, wist ik. Maar een vergelijkende werkwijze kan soms wel handig zijn en de examinatoren geven aan dat zo’n bruggetje tussen de teksten zeker niet verboden is en effectief kan zijn.

Bij criterium D (Taal) is de centrale zin uit het SR voor mij deze: “Onderscheidend hier zijn dan ook het natuurlijk, levendig spreken, intonatie en natuurlijke wendingen.” Hiermee geven de examinatoren aan dat de wijze van presenteren (levendig, niet uit het hoofd geleerd!) middels dit criterium flink meeweegt in de beoordeling. Daarnaast wordt er (uiteraard) gewezen op het belang van een ruime woordenschat.

Het subject report is een uitstekend document. Het is analytisch en informatief, de examinatoren komen met heldere aanbevelingen. Ik ben er blij mee!

Pieter van der Vorm

Plaats een reactie