Over interferentie

Leerlingen aan een Engelstalige dagschool hebben bij het schrijven of spreken van Nederlands te kampen met interferentie. De een heeft er meer last van dan de ander, maar eigenlijk dringt het Engels bij alle leerlingen wel op de een of andere manier door. De afgelopen weken, bij het nakijken van semesterexamens en Mocks, werd ik er weer mee geconfronteerd.

Het meest zichtbaar is de interferentie bij fouten op woordniveau. Leerlingen gebruiken bijv. ‘mening’ voor ‘betekenis’ of ‘karakter’ in plaats van ‘personage’. Woorden die bestaan uit een combinatie van twee zelfstandige naamwoorden (‘wereldoorlog’) worden vaak los geschreven. Daarnaast maken ze gebruik van Engelstalige conventies – denk bijv. aan de hoofdletters in titelwoorden (‘De Aanslag’ in plaats van ‘De aanslag’), of ze beginnen hun afsluitende alinea met ‘in conclusie’.

Het is goed mogelijk dat de interferentie ook op een hoger niveau een rol speelt, bijv. de eisen waaraan een goede betogende tekst dient te voldoen. Zo hebben leerlingen me erop gewezen dat hun leraar Engels ze op het hart drukt geen vraagzinnen te gebruiken in een essay. In een Nederlands essay vind ik een vraagzin geen enkel probleem; mits effectief gebruikt kan het juist een krachtig stilistisch middel zijn.

De opzet van het onderwijs is uiteraard om leerlingen zo soepel en authentiek mogelijk in het Nederlands te laten formuleren. Het kan zinvol zijn om de leerling expliciet te wijzen op interferentiefouten en deze fouten te laten bijhouden in een dossier, al mag je hiervan geen wonderen verwachten. Zo’n interferentiefout zit vaak diep ingebakken, en wanneer de leraar een fout twee of drie keer markeert, wil dat nog niet zeggen dat de leerling die vervolgens effectief weet te vermijden. Mijn ervaring is dat het vooral werkt als het gaat om een klein aantal woorden. Dus: choose your battles!

Ik denk dat het minstens zo effectief is om interferentie te beperken door het Nederlands te versterken met behulp van veel taalaanbod, met specifieke aandacht voor woorden en constructies die passend zijn voor een analyse of een essay. Wordt het Nederlands sterker, dan wordt de invloed van het Engels vanzelf teruggedrongen. Hierbij kan de nadruk liggen op het actief aanleren van constructies (‘een beeld schetsen van’, ‘in vergelijking met’) en het gebruik van signaalwoorden. Zo vind ik bijv. het woordje ‘zo’ (waarmee deze zin begint!) een prettig woord dat zinnen op een soepele manier met elkaar kan verbinden. Er zijn maar weinig leerlingen die dit woordje ‘zo’, in deze betekenis, correct gebruiken. In een vloeiende tekst, met een goed gebruik van ‘zo’, ‘echter’, ‘bovendien’, ‘wellicht’, ‘met betrekking tot’ enzovoort, vallen incidentele interferentiefouten minder op. Zo’n tekst ziet er meteen een stuk minder ‘Engels’ uit!

Pieter van der Vorm

Plaats een reactie