Over literaire theorie

In de programma’s Dutch A: Literature en Dutch A: Language and Literature is een belangrijke rol weggelegd voor literaire theorie, o.a. verhaalanalyse en poëzie-analyse. Hoe leg je de leerlingen die theorie uit? Gebruik je een methode?

Voor het IB-programma Dutch A bestaan geen eigen leerboeken. Voor de literaire theorie kan men uiteraard wel aansluiten bij het VO-programma in Nederland, bijvoorbeeld met de methode Laagland, waarin de literaire theorie uitvoerig wordt besproken. Een degelijk boek, zeker, maar de perfecte gids voor het IB is het niet.

Een eerste, praktisch bezwaar van Laagland is dat tweederde van het boek bestaat uit Nederlandse literatuurgeschiedenis. En dit maakt op zich geen onderdeel uit van het IB-curriculum. Wanneer het IB spreekt over context, wordt dit breder opgevat. Een tweede bezwaar ligt in de theoretische inslag van Laagland. De leerling krijgt heel wat termen en begrippen op zich afgevuurd, en heeft hij/zij die echt allemaal nodig? De methode blinkt bovendien niet uit in het leggen van verbanden tussen die theorie en een beter begrip van de tekst.

Ondanks deze bezwaren is Laagland de meest voor de hand liggende gids om met IB-leerlingen te gebruiken. Zijn er alternatieven? Literair mechaniek van Erica van Boven en Gilles Dorleijn is een klassieker, maar voor leerlingen veel te uitvoerig. Hooguit kun je er als docent voorbeelden uit halen bij de behandeling van een bepaald onderwerp van de literaire theorie. Hetzelfde geldt voor een andere klassieker: Het leven van teksten.

Andere alternatieven. Een nuttig boek vind ik Hoe lees ik? van Lidewijde Paris. Waar Laagland de theorie bespreekt die vervolgens toegepast moet worden, kiest Paris de omgekeerde richting: ze vertrekt vanuit de teksten en laat zien welke vragen die teksten bij haar oproepen en hoe ze hier betekenis aan toekent. De effecten die ze signaleert verbindt ze met literaire begrippen. Het prettige hiervan is dat de theorie niet op zichzelf staat; het gaat niet om de begrippen op zich maar om hun functie. Bijvoorbeeld: wat doet het gekozen perspectief met de tekst en met de lezer? De aanpak van Lidewijde Paris sluit goed aan bij de intenties van het IB. Paris beperkt zich overigens tot proza. Voor poëzie bestaat een enigszins vergelijkbaar boek: Olijven moet je leren lezen van Ellen Deckwitz. Ook dit is een toegankelijke inleiding in kritisch lezen, geschreven vanuit een enthousiasme voor de tekst zelf.

De boeken van Lidewijde Paris en Ellen Deckwitz zijn voor het IB-onderwijs evenmin zaligmakend. Paris en Deckwitz leggen een verband tussen literaire vorm en betekenis, waarbij duidelijk wordt waar die theorie voor dient en wat je ermee kunt. Dat is prettig. Daar staat tegenover dat de theorie niet in een strak overzicht wordt gepresenteerd. En met je IB-leerlingen wil je misschien juist zo’n overzicht, een stevige kapstok waaraan ze hun observaties kunnen ophangen.

Aandacht voor verhaaltechniek en literaire middelen is een essentieel onderdeel van het IB-programma. Leerlingen hebben in eerste instantie vooral oog voor de verhaallijn en de personages; ze moeten leren méér te zien en een kritische blik te ontwikkelen vanuit de analyse. Hoe breng je ze die bij? Met Hoe lees ik?, met Laagland? Het blijft een lastige afweging. Een combinatie van die twee? Voor zo’n symbiose moet je als docent zelf aan de slag – wat trouwens niet problematisch hoeft te zijn en als bijkomend voordeel heeft dat je de literaire theorie kunt bespreken aan de hand van teksten die je met je leerlingen leest.

Pieter van der Vorm

Plaats een reactie