Over poëzie-analyse (deel 3: moeilijke gedichten)

In de laatste twee blogs gaf ik aan hoe je middels vier stappen tot een interpretatie van een gedicht kunt komen. Een lezer reageerde. Als ik haar reactie samenvat: “Fijn, die vier stappen. Heel helder, maar… je hebt wel een heel toegankelijk gedicht gekozen om het te illustreren. Die werkwijze met vier stappen, lukt dat ook bij een moeilijk gedicht?”

Goede vraag! Vandaag bespreek ik een gedicht waarvan de interpretatie minder voor de hand ligt. Ik kies voor ‘Hemel’ van Lieke Marsman (geb. 1990). Een mooi moment: Lieke Marsman heeft juist gisteren op Twitter haar nieuwe bundel aangekondigd, In mijn mand, die in januari 2021 zal verschijnen. (Eindelijk weer een nieuwe bundel van haar, na zeven jaar! Ik kijk ernaar uit.)

Het gedicht dat ik bespreek komt uit haar bundel De eerste letter uit 2014.

Hemel

Kijk ik kan je niet de hele tijd
met rubber handschoenen aan
naar een nestje dragen
met een mes zo bot als schapenwol
tegen je ei aan blijven tikken
in de hoop dat je naar buiten komt

Er moeten ook meters gemaakt worden
Er moet ook in het 50-meterbad gezwommen worden

Ik bedoel ik bewonder ook het koolmeesje onder de tuintafel
en mensen die ontzettend goed kunnen skateboarden
maar ik kijk niet tegen hen op
dus je moet beter je best doen

Ik bedoel dat het charmant is als ik dronken ben

en Ja wat sta je nou hysterisch
iedere kaars in het haardvuur te doven
wil ik zeggen, niet

iedere rivier is de Styx
en je bent zo ontzettend vergeten
als je denkt dat je gelegen komt

maar je was zo verschrikkelijk sexy
dat ik de hemel
uit de hemel wilde tillen

Ik vind dit prachtige, spannende poëzie. Lieke Marsman verbindt een bijna nonchalante, parlando-achtige toon met krachtige beelden. Het is poëzie die net uit het lood staat. Dit gedicht ‘Hemel’. Wat staat er nu eigenlijk?

De eerste stap bestaat uit nauwkeurig lezen. Wanneer je dat doet, merk je al in de eerste strofe hoe de taal vervormt en vervreemdt. De ‘je’ zal een vogel zijn die naar haar nest wordt gedragen. Maar dit is vreemd: ‘tegen je ei aan blijven tikken / in de hoop dat je naar buiten komt’. Hoe kan dat, de vogel is toch al geboren? Ook andere regels in het gedicht (‘iedere kaars in het haardvuur te doven’) roepen vragen op. Het is bepaald niet logisch. De laatste strofe helpt de lezer op weg. Met ‘je was zo verschrikkelijk sexy’ wordt duidelijk dat er sprake was van een ontmoeting. De ik was onder de indruk. Verliefd?

Je kunt gemakkelijk vragen bedenken bij de paradoxale uitspraken in het gedicht. Ook op een hoger niveau zijn vragen te bedenken, bijv. over de personages: wat is de relatie tussen de ik en de ‘je’? En over de structuur, want het gedicht lijkt te bestaan uit een verzameling losse notities. Wat houdt het gedicht bij elkaar, waar zit de samenhang?

De ‘je’ biedt een aanknopingspunt, o.a. door het woordje ‘maar’ waarmee de laatste strofe opent. Tegenover het verlangen om de hemel uit de hemel te tillen, staat in de eerdere strofen iets heel anders: de ‘je’ wordt verwijtend aangesproken. Dit begint al in r. 1 (‘Kijk ik kan je niet’), in r. 3 staat er ‘dus je moet beter de best doen’, en in de strofen daarna wordt de toon feller, zelfs boos: ‘Ja wat sta je nou hysterisch’ en het bijtende ‘en je bent zo ontzettend vergeten / als je denkt dat je gelegen komt’. Dit zijn krachtige regels, vooral door die tegenstelling tussen ‘vergeten’ en ‘gelegen’. En als we precies blijven lezen, lezen we niet ‘vergeten’ maar ‘zo ontzettend vergeten’. Daar zit emotie in: blijkbaar wil de ik de je kunnen vergeten. Vanuit het idee: denk maar niet dat ik nog op je zit te wachten!

Wanneer je de complexiteit van de relatie hebt opgemerkt, valt de herhaling van het woordje ‘en’ op. De eerste strofe staat aan het begin van de opsomming, die toewerkt naar de climax in de voorlaatste strofe. Eerder merkte ik op dat het beeld van de vogel en het ei vervreemdend werkt. Maar bij nader inzien is het een prachtig beeld voor de twee kanten in de relatie: de ik wil de je liefdevol verzorgen en koesteren, tegelijk zit er iets vergeefs in haar pogingen (‘rubber handschoenen’, ‘een mes zo bot als schapenwol’) want al het tikken tegen het ei levert niets op. Ze verwacht iets wat de ander niet biedt.

Dit gedicht van Lieke Marsman is een rijk gedicht. Je kunt ernaar blijven kijken, dingen blijven opmerken. De relatie met de je verloopt moeizaam en de ik probeert de zinnen te verzetten door baantjes te trekken in het zwembad. Haar twijfel, tussen twee uitersten, is voelbaar, bijvoorbeeld aan het einde van de vijfde versregel: ‘wil ik zeggen, niet’. Dat enjambement is subtiel. Er staat niet dat ze het zegt maar dat ze het wil zeggen, en het woordje ‘niet’ waarmee de strofe besluit is veelzeggend: ze zegt het niet.

‘Hemel’ van Lieke Marsman is een gedicht over een complexe relatie, over aantrekking en afstoting, over willen en niet kunnen, over verlangen en willen vergeten. Lieke Marsman bewandelt allerlei zijpaden, of zo lijkt het. Ondertussen is het een gedicht dat cirkelt om een essentie en die essentie voelbaar maakt. En ja, ook die banale versregels over zwemmen in het 50-meterbad zijn daarbij functioneel.

Er zijn maar weinig dichters die zo goed en zo mooi kunnen ‘cirkelen’ als Lieke Marsman. Ze laat het zien in de laatste strofe met een weergaloos beeld: ‘dat ik de hemel / uit de hemel wilde tillen’. Hier zit zoveel in. Het maakt tegelijk het grootse, het verlangen én de onmacht voelbaar.

Voor een leerling is zo’n gedicht lastig. Ook voor mij (docent Nederlands met veel ervaring met het lezen van poëzie) is zo’n gedicht beslist geen ‘piece of cake’. Ik blijf met vragen zitten. Over ‘de Styx’ bijvoorbeeld, in de voorlaatste strofe. Bij de Oude Grieken de rivier die de aarde scheidt van de onderwereld. OK, de tegenstelling aanwezigheid tegenover afwezigheid sluit mooi aan bij de thematiek; ook lijkt de rivier het beeld van laatste strofe (de hemel uit de hemel willen tillen) voor te bereiden. Maar hoe de Styx aansluit bij het doven van de kaarsen in het haardvuur? Ik realiseer me dat een andere lezer deze passage, en ook andere passages, anders kan interpreteren dan ik, andere accenten zal leggen.

Ik denk dat je leerlingen best mag wijzen op de meerduidigheid van poëzie, zodat ze het ‘ik snap dit niet’ vervangen door een geheel andere leeshouding: ‘ik heb hier vragen bij’. Poëzie lezen is geen kwestie van ‘snappen’ maar van onderzoek doen, vragen stellen.

Terug naar het begin… Ik denk dat de werkwijze met de vier stappen leerlingen een handvat kan bieden voor het lezen en analyseren van een gedicht, ook wanneer ze regels of hele strofen niet snappen. Wat moet een leerling in dat geval doen? Heel nauwkeurig lezen, dat vooral. Vervolgens vragen stellen. Die vragen beantwoorden, zo goed als dat gaat, met een beroep op de literaire middelen die de dichter inzet. Want dat is wat ik hierboven heb gedaan. Uiteindelijk worden zo verbanden zichtbaar en kan het thema worden geduid.

Pieter van der Vorm

Plaats een reactie