Over woordenschat

Bij Nederlandstalige leerlingen in het buitenland is de ontwikkeling van de woordenschat één van de aandachtspunten. Dit geldt zeker voor leerlingen in het voortgezet onderwijs. Bij de uitbreiding van het vocabulaire gaat het dan immers om enigszins formele en/of laagfrequente woorden, die niet of nauwelijks gebruikt worden in de thuistaal en die de leerling uiteraard ook niet krijgt aangeboden op de (Engelstalige) dagschool.

IB-leerlingen vertonen onderling grote verschillen in woordenschat. Die verschillen zijn grotendeels terug te voeren op voor de hand liggende factoren: de onderwijsachtergrond (aantal jaar Nederlandstalig onderwijs), het taalaanbod (wordt er in de thuissituatie Nederlands gesproken?), taalgevoel, enz. Het komt voor dat de woordenschat niet sterk genoeg is om literaire teksten in het Nederlands te lezen; in die gevallen kan Dutch B een optie zijn.

Hoe bepaal je nu de woordenschat van een leerling? Er bestaan frequentielijsten met de meest frequente 2000 en 5000 woorden. Je kunt daar niet heel veel mee, maar ze geven een indicatie. Je kunt de toetsen van Diataal gebruiken, als diagnostische toets of als volgsysteem over meerdere semesters. Bij wijze van instaptoets kan ook een Cito E8 een eerste indruk geven; dit laatste geldt ook voor de online-woordentest die het Centrum voor Leesonderzoek van de Universiteit Gent ontwikkelde (woordentest.ugent.be) – deze blijkt in de praktijk een redelijk goede graadmeter. De genoemde toetsen geven een indicatie, meer niet. Daarvoor is de materie te complex, o.a. omdat het bij leerlingen immers niet alleen gaat om het aantal woorden dat wordt gekend maar vooral om welke woorden en op welke manier (passief, actief, met juiste betekenis, enz.).

Wanneer je IB-leerlingen begeleidt voor Dutch A, zul je niet zozeer geïnteresseerd zijn in diagnostische middelen maar eerder in tools om de woordenschat te verbeteren… Dit laatste blijkt niet eenvoudig. Het lezen van literaire teksten (taalaanbod) zal de taalvaardigheid van de leerlingen verbeteren en daarmee ook de woordenschat, maar bedenk wel dat er een hemelsbreed verschil ligt tussen het receptieve lezen van fictie en het productieve schrijven van een formele analyse of een essay. En dit laatste is waar de leerling uiteindelijk op wordt getoetst: het schrijven van een paper 1 en paper 2.

Hoe krijg je leerlingen zo ver dat ze beter gaan schrijven, met een rijkere woordenschat? Hier is gerichte training voor nodig. Te denken valt aan opdrachten/werkvormen waarbij de leerling wordt beoordeeld op basis van ‘mooie woorden’ – andere aspecten van taal, bijv. spelling, spelen dan even geen rol. Ook gerichte opdrachten rond signaalwoorden kunnen effectief zijn, en er bestaat heel wat mooi materiaal voor het trainen van vaste verbindingen (bijv. werkwoord + voorzetsel). Daarnaast kan je leerlingen begeleiden bij het gebruik van websites. Met een site als synoniemen.net kan een leerling op zoek naar synoniemen, met quizlet.com kan hij/zij een persoonlijke woordenschatlijst aanleggen. Enzovoort.

Wat in de praktijk misschien nog het best werkt: de kunst afkijken. Want welbeschouwd heb je voor een paper 1 (analyse) of paper 2 (essay) helemaal niet zo heel veel woorden nodig. De leerling moet er vooral voor zorgen dat hij/zij beschikt over een flinke gereedschapskist vol woorden en uitdrukkingen die passend zijn voor dit soort teksten. Het nauwkeurig doornemen van voorbeelduitwerkingen van oude IB-examens kan dan een positief effect sorteren. Met behulp van die voorbeelden kunnen leerlingen de kunst afkijken, niet alleen in de werkwijze maar ook met betrekking tot taalgebruik en vocabulaire.

Pieter van der Vorm

Abonneren op de blog? Op deze plek verschijnt elke dinsdag een blog. Telkens over een aspect van het IB-onderwijs. Leest u de blog graag en wilt u hem automatisch ontvangen? Dat kan! U kunt zich abonneren door een mail te sturen naar pieter@vormtutoring.com. In dat geval ontvangt u de nieuwste blog elke dinsdag in uw mailbox.

Plaats een reactie