Over de vier genres. Deel 1: poëzie

In het programma Language A: Literature (SL) leest de leerling negen literaire teksten van (minimaal) drie verschillende genres. De komende weken wijdt de blog een vierluik aan de vier genres: poëzie, toneel, non-fictie, proza. In dit eerste deel: poëzie.

Met betrekking tot gedichten bespeur ik bij docenten soms een zekere aarzeling. Is poëzie niet ontzettend moeilijk? Vinden leerlingen het eigenlijk wel leuk? Als je het aan de leerling zélf vraagt, valt het best mee. Poëzie doet het minder slecht dan je wellicht zou verwachten. Want een gedicht zit slim in elkaar (een puzzeltje) en de taal is zo mooi. Of, praktisch punt: een gedicht is lekker kort, je hebt het zo uit.

Met een blik op de eindtermen is het prettig om poëzie op te nemen. In veel gedichten is een belangrijke rol weggelegd voor literaire techniek: rijm, metrum, beeldspraak, enz. Wanneer je de leerling wilt wijzen op authorial choices, kun je hem/haar laten zien hoe deze middelen functioneel kunnen zijn voor een beter begrip van de tekst. Leerzaam!

En wat betreft de moeilijkheid? Bij het lezen van een tekst hebben leerlingen doorgaans vooral oog voor de verhaallijn en de personages. Wanneer die ontbreken (in een gedicht) kan dat knap lastig zijn. Daar staat tegenover dat het gereedschap van de poëzie-analyse (strofebouw, rijmschema etc.) een prettig houvast biedt. Bovendien is het helemaal niet zo erg als een leerling het gevoel heeft het gedicht niet helemaal te begrijpen, zolang hij/zij maar in staat is er goede vragen bij te stellen. Het is zinvol om dát, het stellen van vragen, expliciet te oefenen. Een gedicht leent zich daar uitstekend voor.

Lijkt er geen gelukkig huwelijk mogelijk tussen de leerling en poëzie en wil men toch het genre op de lijst, dan kan worden gekozen voor een Middelnederlandse epische tekst, bijv. Beatrijs of Van den vos Reynaerde. Dat telt als poëzie. Maar behalve dat de tekst op rijm is, heeft het met poëzie weinig van doen. (Dit neemt niet weg dat Beatrijs en Van den Vos Reynaerde uiteraard heel geschikte teksten zijn, alleen ligt hun bruikbaarheid niet op het vlak van de poëzie-analyse.)

Een (moderne) dichtbundel kan zorgen voor een prettige afwisseling. Veel leerlingen weten aanvankelijk niet goed wat ze ermee moeten. Ze hebben dan de neiging zich uit te putten in associaties en ontwaren symbolen die vaak meer zeggen over henzelf, als lezer, dan over de tekst. Je kunt in zo’n geval gebruik maken van close-reading, met het devies: lezen wat er staat! En dat vervolgens verbinden met authorial choices. Regelmatig leidt dat tot een aha-erlebnis – opeens zien ze het, ze snappen het! Dat slimmigheidje van de auteur, de mogelijkheden van de taal…

En daarmee zijn we aanbeland bij een praktisch argument om poëzie op te nemen op de lijst: de analyse van gedichten vormt een nuttige voorbereiding op paper 1.

Pieter van der Vorm

Plaats een reactie